Mijn roommate geeft aan dat zij graag een dagje op de kamer wilt rommelen. Ik ben heel moe van de gebroken nachten en haar geronk. Maar overdag slapen vind ik zonde van de tijd. Ook al tollen de bezienswaardigheden in mijn hoofd, ik ga toch de de folder bestuderen en ik kruis aan wat ik nog wil zien van deze stad. Pingyao is één van de best bewaarde oude steden uit de Han-dynastie. De visie, die men toen had op op stadsplanning en architectuur is hier heel goed te zien. De stadswallen met de stadspoorten zijn nog helemaal intact en hebben een lengte van 6 km. Vanaf die wallen is het vierkante raamwerk van straten en huizen bouw goed te zien. Er zijn prachtige stadspoorten en klusters van woningen die aan de hutongs van Beijing doen denken. Pingyao is een belangrijke handelsplaats geweest en het financiële centrum van de Qing dynastie. Hier is de eerste bank opgericht. Er zijn tal van plekken in de stad waar exposities ingericht zijn over die rijke geschiedenis. Dus ik ga toch maar kijken en ondanks moeheid raak ik toch weer in de ban van de Chinese cultuur.
Dan kom ik bij een taoistische tempel. Er heerst een oase aan rust. Hier geen drommen toeristen en fotograferende Chinezen. Er is stilte en het lijkt of die rust ook in mij komt. Nadat ik een tijdje op de binnenplaats heb gezeten en volledig in het niets was, begeef ik mij naar het tempelgedeelte. Een Chinese monnik zit te schrijven, maar komt dan naar mij toe en gebaart dat ik kaarsen moet branden voor mijn familie. Ik moet meteen aan wijlen mijn vader denken. Hij brandde altijd kaarsen voor zijn moeder. Ik weet niet precies hoe vaak hij dat deed, maar op Oudejaarsavond trok hij zich altijd terug met een kaars en wierrook en een foto van haar. Ik neem de kaars aan en draag hem op aan hem, aan mijn oma en aan mijn moeder die nog wel leeft. De man gebaart dat ik bij hem moet gaan zitten, mijn ogen te sluiten en dan begint hij te zingen, terwijl hij met zijn duim kleine cirkeltjes draait op mijn voorhoofd, daar waar je derde oog zou zitten. Ik zweef weg op zijn tonen en heb het gevoel dat ik omhoog stijg. Het is alsof alle spanning uit mij verdwijnt en ik los ben van deze wereld en even in een geheel andere wereld vertoef op een hoger plan. Ik ontstijg mijn lichaam en toch voel ik mij heel dicht bij mijzelf. Ik weet niet hoe lang het heeft geduurd, maar het lijkt langer dan het was, vermoed ik. Dan stopt het zingen en ben ik weer terug in de realiteit. Als ik wil mag ik een donatie geven, maar het hoeft niet. Natuurlijk doe ik dat. Dan branden we nog wierrook en als het hele ritueel gedaan is, komen er twee toeristen aan. Notabene Nederlanders! Zij zetten mij op de kiek en gaan dan naar binnen. Niet veel later hoor ik het gezang. Tja, het is natuurlijk gewoon een toeristische actie, maar toch…. Ik voelde mij heel dicht bij mijn roots…








































































We zijn opgewonden over de 1e naderende treinreis en zeer benieuwd hoe het er aan toe zal gaan. Van een kennis weet ik dat het een heel gedoe is wanneer je geen Chinese karakters kunt lezen. Maar wij zijn in het luxe bijzijn van een gids, die alles regelt. We kunnen kiezen voor de betaalde of de onbetaalde wachtruimte. Voordeel van de betaalde ruimte, de tea-lounge, is dat je eerder de trein in mag en dat je tijdens het wachten theewater kunt pakken. Elke treinreiziger heeft bekers bij zich voor thee of bakjes voor noodlessoup.
Terwijl de Ossies flink aan de whiskey gaan, de vader aan het bier, gaan wij braaf aan de jasmijnthee en de megebrachte vreterijen. Maar het lijkt wel of er iets in de thee zit. We zijn zo supermelig dat we de ene na de andere lachkick hebben. Of het moet aan de vis hebben gelegen die we ’s middags in een restaurant hebben gegeten. Een plek waar je de verse vis in bakken en aquaria aanwijst voor die op je bord komt. (waar trouwens ook allerlei onherkenbare enge bewegende dingen lagen, die we niet aandurfden) Wanneer in de trein een Chinees ons telkens staat te bekijken en de dames zich ongemakkelijk gaan voelen, hang ik een klamboo voor de opening. Het ziet er meteen heel knus uit.
Met de naderende eerste treinreis is er een duidelijke groepsvorming gaande. We zullen de coupées moeten delen met 6 personen. De Ossies (uit Oss) zijn al een groep van 7 personen, waarvan 3 getrouwde stelletjes. Ze zijn zo rond de dertig, kennen elkaar al heel lang en delen hun passie voor pop/rockmuziek. Ze hebben al veel gereisd en dat merk je. Ze staan ook open voor anderen. Eén van hen blijkt zwanger te zijn in een heel pril stadium. Dan hebben we de ‘Family’ , het jonge stel -nog maar kort samen- , een stel uit Engeland -al lang samen- en de twee juffies. De rest zijn alleengaanders; twee mannen (50+), vijf vrouwen. De juffies, de mannen en de andere alleengaanders hebben op 1 na allemaal een eenpersoonskamer wanneer we in hotels verblijven en zien er blijkbaar tegenop om in de trein de slaapruimte te delen. Vooral de juffies maken zich druk en lobbyen voor een vrouwencoupé. Ik word niet gevraagd, evenmin mijn roommate en ben daar ook niet rouwig om. Wij sluiten ons aan bij de ‘Family’, met wie wij het erg gezellig hebben. De verdeling zal meteen de rest van de reis zo blijven. De ‘droge’ sluit zich regelmatig bij ons aan, de damescoupé + de andere man vormt ook een groepje. De twee stelletjes gaan hun eigen gang. Altijd leuk om te zien hoe mensen naar elkaar toetrekken of juist niet en hoe sommige mensen volslagen aan je voorbijgaan. Soort zoekt soort geldt ook op deze reis. De Ossies, de Family en wij zijn overal voor in, willen alles zien en uitproberen. Wij vinden het lekker om een berg op te klimmen, zijknat te worden in een heftige regenbui en een treinreis van 30 uur te maken. Wij zien de uitdaging, de humor en het relatieve van de dingen. De damescoupé heeft het een stuk zwaarder. Al na die eerste treinreis verzuchten ze, dat ze dit nooit meer willen doen. De bedden zijn te hard, de trein maakt teveel lawaai, het toilet is niet fris. Ze weigeren mee te gaan wanneer we tijdens een excursie een berg op willen klimmen en ze eisen een binnenlandse vlucht wanneer die treinreis van 30 uur nadert. We noemen hen vanaf die vlucht de Vliegers, wanneer we met een grote groep zijn, maar onderling noemen we hen de Tutties. Je vraagt je af waarom ze zo’n reis überhaupt hebben geboekt. Er is immers ook een niveau A, met luxe hotels, en minder inspanningen. Het valt nog mee dat ze geen pakjes Hollandse kaas hebben meegenomen van huis, want zelfs het vele Chinese eten blijkt een reden tot klagen.


































